Waker des dagens
Als een vreemde bespied ik
mijzelf, kijkend in de spiegel zie ik een oude man waar gister nog een jongen stond. Ik ben al honderd keer gestorven,
terwijl de radio nog hetzelfde klinkt in één nacht is mijn spiegelbeeld verdorven.
De dagen lijken langer,
de vergrijzing jonger
ik huil andermans tranen
en zie de dagen waken.
Ik zie de nachten sterven,
als de sterren van ver komen
om te zeggen:
“Huil, om alles te kunnen dragen,
maar onthoud…Lach straks, want
jij, bent de waker des dagens…”
Wij
wij zijn vrienden voor altijd
wij willen elkaar nooit meer kwijt
zo is het te zien
samen hebben we pret voor tien
wanneer zien we elkaar terug
hopelijk heel vlug
ik kan je niet langer missen
al gaan we samen vissen
mij maakt het niet uit
al zingen we door de straten heel luid
mij maakt het niet uit
wij blijven vrienden voor het leven
niet zomaar voor even
Niets is mooier dan een vrouw
Niets is mooier dan een vrouw
Spijtig dat ze zo mannelijk willen zijn
De wereld die ik aanschouw
Is voor mannen en vrouwen niet meer zo fijn
Wie is elkaar nu nog trouw
En komt niet met nieuwe ideeën te voorschijn
Meneer in plaats van mevrouw
Doet niet alleen de man maar ook de vrouw pijn
Droom de man nu maar eens weg
Dan komen alleen de dames aan de man
Het faalt al bij de uitleg
Omdat het in de natuur niet anders kan
Hoe moet het met de spoorweg
Als de trein nu stilstaat op het achterplan
Kies men dan voor een vaarweg
Het lijkt mij nogal een waterige clan
Eens de vrouwen aan de macht
Sla dan de boeken maar open en niet toe
Want dan begint pas de jacht
Van welke vrouw worden zij nu het eerst moe
Een idee maar onbedacht
Van ik wil wel iets, maar ik weet niet goed hoe
En eens de man omgebracht
Zal met of zonder stier, ook sterven die koe






Geloof
Sommigen houden zich stokdoof
Weer anderen zijn steke blind
Maar hij die spreekt over geloof
Zal zoeken tot dat hij het vindt
Toen ik voor ‘t eerst naar god toeschoof
Was ik ‘t onvolgroeide kind
Die met zijn oma naast de stoof
moest bidden onder haar bewind
Nu ouder al onder het koof
Zit ik af en toe wat vertind
Na te denken als filosoof
En bid met ‘t huilen van de wind
Omdat ‘t vertrouwen in geloof
Wellicht deze wereld hervindt
en kan helen die gure kloof
Onder de rassen die het bindt















Liefdesvuur,
Onze lichamen omstrengelt, Blikken op elkaar gericht, Ik zie de passie op jou gezicht,
Kom liefste kom in mij heel diep,
Bemin mij heel lief, Laaf mijn dorst om jou,
Liefste snel kom nou,
Laat me drinken van jou wijn,
Niet één drank kan zoeter zijn, Je hand op mijn borst, Liefste lest mijn dorst,
Het strelen van jou handen,
Doet mijn liefde ontbranden,
Ik voel je zo hard, Ja, liefste dit is waarop ik wacht, Blus dit brandende vuur,
Doe het uur na uur, Een schreeuw,
Een passievol geluid, Zacht dooft mijn vuurtje uit,
Je streelt mijn lichaam heel zacht,
Langzaam ons wild kloppend hart,
Liefdevol straalt jou gezicht,
Onze lichamen vol liefdeslicht,Bezweet maar zo voldaan, De tijd was even blijven stil staan.
Ze komen en ze gaan
De dagen komen en gaan
Terwijl al die uren
Steeds met seconden
Toch almaar door
Zuur verder Tikt, tikt
Op het klokje slaan
Wat zijn vrienden aangenaam
Die net als ons buren
Ons huisje vonden
Om dan in gloor
Na weder Gebikt
Weer Huiswaarts te gaan
Soms blijft de tijd even staan
En krijgt vriendschap kuren
Waar ’t hart geschonden
In pijnlijk spoor
Ons nader Op schrikt
Tot woede of Traan
laat ze maar in eigen waan
Domheid blijft niet duren
’t zijn geen doodzonden
Als je iets verloor
En ’t kader herschikt
‘k blijf met je begaan